Het ene varken is het andere niet. Dat zie je al snel.
Maar waarom zijn er zoveel verschillende soorten?
Het antwoord is vrij een
voudig. De varkens-houder zoekt het type varken dat het beste past bij zijn bedrijf en de markt waar hij voor produceert.



De Duitse consument wil bijvoorbeeld grote stukken vlees. Daar is het Pietrain-ras het meest geschikt voor.
De Engelse consument eet graag lekkere bacon.
Ook daarvoor is een varkensras bij uitstek geschikt: Groot Yorkshire.
Dit varken heeft de meest ideale bouw voor een efficiënte productie van bacon.

De slachterij krijgt een steeds grotere rol in de fokkerijwereld. Slachterijen verkopen het vlees aan supermarkten en weten daarom goed welk vlees de consument wil.
Het is dus logisch dat slachterijen steeds meer invloed krijgen op de fokkerij.
Kleur, smaak en vetsamenstelling zijn aspecten die consumenten steeds belangrijker vinden bij het kopen van vlees. Fokkerijbedrijven en varkenshouders zullen daar dus rekening mee moeten houden.

In de varkensfokkerij wordt door middel van selectie en kruisen de beste combinatie gezocht van twee varkens- rassen. Met de keus voor het mannetjesvarken (beer) kan
de varkenshouder sturen op bepaalde eigen-schappen zoals groeisnelheid, spekdikte of het aantal biggen dat een zeug krijgt. Het ene ras vererft namelijk een snelle groei, terwijl het andere ras vruchtbaarheid beter vererft.
Het ras van het vrouwtjes-varken (zeug) staat al vast.
De varkenshouder heeft immers de zeugen al.